direct naar inhoud van 2.4 Cultuurhistorie en archeologie
Plan: 1e herziening bestemmingsplan Polhaar Oost 1982, de Schakel
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0148.PolhOosthz1-vo01

2.4 Cultuurhistorie en archeologie

Het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (het verdrag van Malta) is in 1998 aanvaard. Het verdrag bepaalt dat archeologisch waarden als onvervangbaar onderdeel van het lokale, regionale en (inter-)nationale erfgoed bij de besluitvorming over ruimtelijke ingrepen expliciet dienen te worden meegewogen en waar mogelijk ontzien.
Vijftien jaar na ondertekening van het Verdrag van malta is het wetgevingsproces van de archeologische Monumentenzorg beƫindigd. Op 1 september 2007 trad de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking. De nieuwe wet bestaat uit een herziening en aanvulling van de Monumentenzorg 1988. Ook is in de wet een aantal wijzigingen aangegeven in de ontgrondingenwet, de Woningwet en de Wet Milieubeheer. De Wet op de archeologische monumentenzorg is een wijzigingswet en de Monumentenwet uit 1988 is, voor zover het de ongewijzigde delen betreft, nog steeds van kracht. De essentie van de Wet op de archeologische monumentenzorg is dat waardevolle archeologische resten in de bodem behouden blijven. Voor werkzaamheden die gepaard gaan met verstoring van de bodem is een archeologisch vooronderzoek verplicht. Dat moet uitwijzen of er mogelijk behoudenswaardige archeologische sporen in het geding zijn. De gemeenten zijn nu aan zet om aan deze wet uitvoering te geven.
De Archeologische Monumentenkaart (AMK) geeft een overzicht van alle bekende behoudenswaardige archeologische terreinen in Nederland. Daarnaast geeft de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) een globaal overzicht van de mate waarin archeologische resten in een gebied kunnen worden aangetroffen.

Dalfsen heeft een eigen archeologienota. Het plangebied is gerangschikt onder categorie A-gebieden. Binnen deze gebieden moet archeologisch onderzoek plaatsvinden als het plangebied groter is dan 250 m2 en als de bodemingrepen dieper gaan dan 30 cm. Dit is hier het geval. Echter, het plangebied is nu nagenoeg geheel bebouwd en er hebben in het verleden allerlei graafwerkzaamheden plaatsgevonden bij de aanleg van (school)pleinverharding. Verder zijn bomen geplant, waarvoor eveneens graafwerkzaamheden zijn verricht.

Dit alles leidt tot de conclusie dat de bodem in het plangebied in z'n geheel is "geroerd".

Als er al archeologische relicten aanwezig waren in de bodem van het plangebied dan zijn deze in het verleden, bij de bouw van de school c.a. verstoord. Archeologisch onderzoek vindt dan ook verder niet plaats.