direct naar inhoud van 3.3 Milieuhygiënische aspecten
Plan: 2e herziening Bestemmingsplan Nieuwleusen 2007 actualisering
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0148.NNlsn07hz2-oh01

3.3 Milieuhygiënische aspecten

Met de voorbereiding van het onderhavige bestemmingsplan dient te worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen met name ten opzichte van de in het plan opgenomen geprojecteerde woningen. In dit kader dient aandacht te worden besteed aan de volgende punten:

  • hinder in de relatie bedrijven/woningen;
  • geluidsaspecten (Wet geluidhinder);
  • bodem;
  • luchtkwaliteit;
  • externe veiligheid.
3.3.1 Algemeen

Bij de opstelling van een bestemmingsplan is het van belang om na te gaan in hoeverre milieuhygiënische factoren belemmeringen opleveren voor de voorgestane ontwikkelingen. In de volgende alinea's wordt aandacht besteed aan een aantal relevante milieufactoren. Gelet echter op het feit dat het voorliggende plan voornamelijk een aantal lopende en al afgeronde projecten omvat is het onderzoek naar de milieuhygiënische aspecten beperkt gebleven.

3.3.2 Wet geluidhinder

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect "geluid".

In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies.

In deze paragraaf wordt ingegaan op de geluidsaspecten met betrekking tot industrielawaai en wegverkeerslawaai.

Wegverkeerslawaai

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) dient een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd naar het wegverkeerslawaai. Dit onderzoek moet aantonen of er door de uitbreiding sprake is van een reconstructiesituatie zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. De breedte van deze zone is afhankelijk van:

  • de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied;
  • het aantal rijstroken.

In buitenstedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes:

  • wegen met één of twee rijstroken: 250 meter;
  • wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter;
  • wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter.

De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek in relatie tot het opstellen van een bestemmingsplan geldt evenmin indien in dat bestemmingsplan geen mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe woningen en andere geluidgevoelige objecten (artikel 76, lid 4 Wgh). Op basis hiervan is geluidsonderzoek voor dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk, aangezien er geen ruimte wordt geboden voor nieuwe (planologische) ontwikkelingen.

3.3.3 Bodem

Met betrekking tot de kwaliteit van bodem en grondwater kan worden opgemerkt dat het onderhavige plan uitsluitend betrekking op de bestaande situatie. In een aantal gevallen wordt slechts de functie beperkt gewijzigd en nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

3.3.4 Luchtkwaliteit

Met betrekking tot luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet Milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien:

  • a. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, niet leiden tot het overschrijden van een in bijlage 2 van de Wet Milieubeheer opgenomen grenswaarde , of
  • b. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, leiden tot een verbetering per saldo van de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof dan wel, bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, de luchtkwaliteit per saldo verbetert door een samenhangende maatregel of een optredend effect, of
  • c. aannemelijk is gemaakt dat de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen, of
  • d. het project is genoemd of beschreven dan wel past binnen een programma van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Van een verslechtering van de luchtkwaliteit "in betekenende mate" als bedoeld onder c is sprake indien zich één van de volgende ontwikkelingen voordoet:

  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;
  • infrastructuur: 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie);
  • kantoorlocaties: 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, 200.000 m2brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.

Het bestemmingsplan bevat niet een van deze ontwikkelingen. Geconcludeerd kan worden dat door de ontwikkeling, die in het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, de luchtkwaliteit niet "in betekenende mate" zal verslechteren. Aan het bepaalde omtrent luchtkwaliteit wordt dan ook voldaan.

3.3.5 Externe veiligheid

Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot:

  • inrichtingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. 

Inrichtingen

De risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daartoe zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) regels gesteld. Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient onderzocht te worden:

  • of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico;
  • of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico.

In september 2007 heeft Save uit Deventer een toetsing van het tankstation aan de Burgemeester Backxlaan 204 aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uitgevoerd. Bij de Bevi behoort de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), waarvan de laatste wijziging dateert van 20 december 2007.

In het Revi zijn de toetsingscriteria voor lpg-tankstations vastgelegd. Deze criteria zijn gedefinieerd op basis van plaatsgebonden risico en groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico maakt het Revi onderscheid tussen bestaande en nieuwe situaties. Vanwege de bestemmingsplanaanpassing is in dit onderzoek sprake van een nieuwe situatie.

Het plaatsgebonden risico (PR) presenteert de overlijdenskans van een persoon in de vorm van contouren op een plattegrond rondom de beschouwde activiteit.

Het groepsrisico(GR) houdt rekening met de daadwerkelijke aanwezigheid van personen.

Het tankstation heeft vergunning voor een tankstation, inclusief lpg, de stalling van drie tankauto's (huisbrandolie en petroleum) en de opslag van maximaal 2.449 gasflessen (propaan en butaan).

De lpg-doorzet op het tankstation is thans niet begrensd evenmin als de periode van aflevering van lpg.

Tussen de branche en het Ministerie VROM is een convenant overeengekomen. Dit houdt onder meer in, dat de lpg-vulslang wordt verbeterd en de tankauto wordt voorzien van een coating. Op 1 januari 2010 is dit gerealiseerd. De 10-6plaatsgebondenrisicoafstand van het vulpunt wordt verkleind van 110 naar 40 meter voor 1.500 m³ per jaar.

Gelet op die situatie is er dan een acceptabele situatie. Gelet op de wens van het bedrijf van een doorzet van 1.500 m³, zou als benadering kunnen worden de doorzet tijdelijk (tot 01.01.2010) te begrenzen tot 1.000 m³ en daarna de doorzet van 1.500 m³ als maat te nemen.

De toetsing aan het Bevi van het tankstation heeft geleid tot de volgende conclusies:

  • de opslag van gasflessen geeft geen externveiligheidsrisico;
  • het stallen van drie tankauto's geeft geen externveiligheidsrisico;
  • externeveiligheidsrisico's worden bepaald door lpg;
  • aan de te houden afstanden tot een lpg-tankauto wordt voldaan, als de lpg-doorzet wordt begrensd tot 1.000 m³ per jaar;
  • aanbevolen wordt de doorzetbegrenzing aan de vergunning toe te voegen;
  • gelet op het lpg-convenant is de doorzetbegrenzing tot 1 januari 2010 voldoende;
  • het groepsrisico geeft geen overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Voor wat betreft de lpg-installatie, aan de Burgemeester Backxlaan 204 is de milieuvergunning aangepast waardoor de contour van 45 meter gehandhaafd blijft (maximale doorzet 1.000 m³ tot 2010, daarna veranderen de contouren in verhouding tot de doorzet).

Aangezien het groepsrisico geen overschrijding van de oriëntatiewaarde geeft, vindt het gemeentebestuur het groepsrisico aanvaardbaar. Bij de verantwoording worden naast de veiligheidsbelangen ook ondermeer de economische belangen, het type risico, de veiligheid van de bron, de zelfredzaamheid van de aanwezige personen en de capaciteiten van de hulpverlening beoordeeld.

Buisleidingen

In het plangebied ligt een aardgastransportleiding nabij de Prinses Beatrixlaan die als relevant met betrekking tot externe veiligheid dient te worden beschouwd.

In het externe veiligheidsbeleid van de gemeente Dalfsen is uiteengezet op welke wijze met het aspect externe veiligheid dient te worden omgegaan in ruimtelijke plannen en in milieuvergunningen. In ruimtelijke zin is in het beleid onderscheid gemaakt in verschillende gebiedstypen binnen de gemeente (woongebied, bedrijventerreinen, recreatiegebieden en overige gebied van de gemeente). Daarnaast is er onderscheid gemaakt in de bestaande en nieuwe situaties. Het onderscheid komt er in het kort op neer dat in woongebieden geen nieuwe risicobronnen worden geïntroduceerd en dat op bedrijventerreinen een nieuwe risicobron kan worden geïntroduceerd indien de veiligheidscontour binnen de eigen inrichtingsgrens blijft. De bestaande risicobronnen mogen wel blijven, totdat de risicovolle activiteiten op die plek worden gestaakt.

De beoogde uitbreiding van de Tweemasten is getoetst aan het Bevi omdat de school in de directe omgeving van het aardgasreduceerstation is gelegen (zie paragraaf 4.9).

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor

In de Nota Vervoer gevaarlijke stoffen (2005) wordt een Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen aangekondigd, dat naar verwachting in 2009 wordt voorzien van een wettelijke basis. In dat kader zijn op 4 december 2008 de ontwerpen voor de Basisnetten Water en Weg, alsmede het conceptontwerp Basisnet Spoor aan de Tweede Kamer aangeboden.

Daarna is op 17 februari 2009 door de Basisnet-werkgroep Weg de eindrapportage "Voorstel Basisnet Weg" gepresenteerd.

In deze stukken wordt ook aandacht besteed aan het begrip "Plasbrandaandachtsgebied" (PAG). Onder een PAG wordt verstaan het gebied tot 30 meter van de weg waarin, bij realisering van kwetsbare objecten, rekening dient te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Een plasbrand is verbranding van een door bijvoorbeeld lekkage ontstane plas van brandbare vloeistof. Een PAG geldt alleen voor nieuw te bouwen kwetsbare objecten. Bestaande objecten binnen de PAG hoeven niet te worden gesaneerd.

Op dit moment wordt het beleidskader nog gevormd door de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (circulaire RNVGS, 4 augustus 2004) en de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (nota RNVGS, 1995/96). De circulaire is een operationalisering en verduidelijking van het beleid uit de nota. Op basis van deze beleidsstukken gelden er normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Weg

Uit het Anker-rapport "Inventarisatie van EV-risico's bij het vervoer van gevaarlijke stoffen" (2006) blijkt dat de N758 en N377 geen 10-6 plaatsgebonden risicocontour heeft en dat een dergelijke contour voor deze weg ook niet wordt verwacht.

De N758 en N377 zijn niet aangewezen als route gevaarlijke stoffen. Hierover mogen zonder ontheffing van de gemeente geen gevaarlijke stoffen over vervoerd worden.

Water

De dichtstbijzijnde vaarweg is de Vecht, die is gelegen op circa 5,5 km van het plangebied. Uit voornoemd Anker-rapport blijkt dat de Vecht, geen plaatsgebonden risicocontour heeft van 10-6 en dat Nieuwleusen geen (mogelijk) aandachtspunt vormt voor het groepsrisico.

Spoor

De dichtstbijgelegen spoorlijn is het baanvak Zwolle - Meppel, die gelegen is op circa 1,2 kilometer van het plangebied. Uit het Anker-rapport blijkt dat dit baanvak geen 10-6plaatsgebonden risicocontour heeft en dat ook in de toekomst geen knelpunt voor het plaatsgebonden risico wordt verwacht. Daarmee vormt het baanvak geen aanleiding voor een nadere beschouwing. Voor het groepsrisico wordt Nieuwleusen niet vermeld als knelpunt.