direct naar inhoud van Artikel 10 Wonen
Plan: 2e herziening Bestemmingsplan Nieuwleusen 2007 actualisering
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0148.NNlsn07hz2-oh01

Artikel 10 Wonen

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Wonen ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan huis verbonden beroep;
  • b. de waterhuishouding;
  • c. voor de uitoefening van:
    • 1. eenkantoor indien en voorzover de gronden zijn aangeduid met 'kantoor' tot een maximale oppervlakte van 300 m2;
    • 2. fietsreparatie en fietshandel; indien en voorzover de gronden zijn aangeduid met 'bedrijf aan huis';

met daarbijbehorende:

  • d. gebouwen;
  • e. bouwwerken, geen gebouw zijnde;
  • f. werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden;
  • g. tuinen;
  • h. erven.
10.2 Bouwregels

Op de voor ' Wonen ' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

10.2.1 Hoofdgebouwen

Voor een hoofdgebouw gelden de volgende regels:

  • a. een hoofdgebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. een hoofdgebouw mag vrijstaand, aaneengebouwd of gestapeld worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden' uitsluitend woningen mogen worden gebouwd, waarvoor geldt dat:
    • 1. het minimum aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen niet minder dan 3 mag bedragen;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden' het maximum aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen niet meer mag bedragen dan het op de plankaart aangegeven aantal;
  • c. de breedte van een woonhuis mag niet minder dan 5 m bedragen;
  • d. de afstand van een vrijstaand woonhuis en van de vrijstaande zijde van een aaneengebouwd woonhuis tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 3 m bedragen;
  • e. ter plaatse van de aanduidingen 'maximale goothoogte (m)' en 'maximale bouwhoogte (m)', de goothoogte of de bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan de op de plankaart aangegeven goothoogte respectievelijk bouwhoogte;
  • f. in geval van een aangeduide goothoogte mag de dakhelling niet minder dan 25° en niet meer dan 60º bedragen;
  • g. afwijkingen in maten en afmetingen zoals die bestaan op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp mogen gehandhaafd worden.
10.2.2 Aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen

Voor een aanbouw, een uitbouw en een bijgebouw gelden de volgende regels:

  • a. de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan mag niet minder dan 3 m bedragen;
  • b. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 1 m bedragen, tenzij in de perceelgrens wordt gebouwd;
  • c. de gezamenlijke oppervlakte voor zover gebouwd buiten het bouwvlak mag per hoofdgebouw niet meer bedragen dan:
    • 1. 50 m² bij een in een rij aaneengebouwd woonhuis;
    • 2. 70 m² bij een vrijstaand of halfvrijstaand woonhuis;

met inachtneming van de volgende regels:

  • 1. de gezamenlijk oppervlakte mag niet meer bedragen dan 50% van de oppervlakte van het achter de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan gelegen bouwperceel, verminderd met de oppervlakte van het hoofdgebouw;
  • 2. in afwijking met het bepaalde onder 1 mag de gezamenlijke oppervlakte meer bedragen dan 50%, mits de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedraagt dan 20 m²;
  • 3. bij berekening van de gezamenlijke oppervlakte wordt de oppervlakte van de aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen voor zover gelegen binnen het bouwvlak tussen het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw niet wordt meegerekend.
  • d. de goothoogte van een aanbouw, een uitbouw of een aangebouwd bijgebouw mag niet meer dan 3 m bedragen met dien verstande dat de goothoogte mag worden verhoogd tot niet meer dan 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw;
  • e. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw mag niet meer dan 3 m bedragen;
  • f. de bouwhoogte van een vrijstaand bijgebouw mag niet meer dan 5 m bedragen.
10.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:

  • a. indien het voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen;
  • b. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2,50 m bedragen.
10.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. het samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. een goede woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de sociale veiligheid;
  • f. de externe veiligheid.
10.4 Ontheffing van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in:

  • a. 10.2.1 onder b toestaan dat het maximum aantal aaneen te bouwen hoofdgebouwen wordt vergroot tot een aantal van 6;
  • b. 10.2.1 onder g en toestaan dat de goothoogte van een hoofdgebouw wordt verhoogd met niet meer dan 2 m;
  • c. 10.2.1 onder h ten behoeve van een verhoging of verlaging van de dakhelling, dan wel de toepassing van een platte dakafdekking;
  • d. 10.2.2 onder c en toestaan dat ter vervanging van alle bijgebouwen, met een gezamenlijke oppervlakte tussen de 50 en 100 m² en meer, door één bijgebouw met een gelijk oppervlak;
  • e. 10.2.2 onder c en toestaan dat ter vervanging van alle bijgebouwen, met een gezamenlijke oppervlakte van 100 m² en meer, door één bijgebouw van maximaal 100 m²;
10.4.1 Afwegingskader

Een in 10.4 genoemde ontheffing kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. een goede woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de sociale veiligheid;
  • f. de externe veiligheid.
10.4.2 Procedure

Voor een besluit tot ontheffing geldt de in 15.1 vermelde voorbereidingsprocedure.

10.5 Specifieke gebruiksregels
10.5.1 Strijdig gebruik

Tot een met de bestemming strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. de bewoning van vrijstaande bijgebouwen;
  • b. het gebruik van gronden en opstallen voor een bedrijf, tenzij in dit artikel anders is bepaald.