direct naar inhoud van 3.2 Onderzoeken
Plan: 7e herziening bestemmingsplan Lemelerveld 2006, Verbindingsweg 3
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0148.LLemhz7-on01

3.2 Onderzoeken

Voor de beoordeling wordt gekeken naar de mate waarin belangen van de bewoners en/of eigenaren van de aangrenzende gronden door de uitwerking kunnen worden geschaad. Gekeken wordt hierbij naar de verkeerssituatie, natuur en landschap, milieutechnische aspecten en water.

De effecten van de uitvoering van het bestemmingsplan zijn in het "Bestemmingsplan Lemelerveld 2006” reeds aan de orde geweest. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in een verandering van de bestemming. Voor aanvullende onderdelen wordt verwezen naar het “Bestemmingsplan Lemelerveld”.

3.2.1 Archeologie

Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Valletta/Malta. Daarmee heeft de zorg voor het archeologisch erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming. Uitgangspunten van het verdrag zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming, het behoud van archeologische waarden ter plaatse en de introductie van het zogenaamde “veroorzakerprincipe”. Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek van eventueel aanwezige archeologische waarden.

Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. Voor de bekende waarden kan de beleidskaart behorende bij het Archeologisch beleidsplan gemeente Dalfsen worden geraadpleegd. Blijkens deze beleidskaart is het perceel Verbindingsweg 3 aangewezen als archeologisch onderzoeksgebied B. Voor archeologisch onderzoeksgebied B geldt, dat het in dit gebied verboden is bodemverstorende activiteiten te verrichten voor zover het betreft grondwerken met een bodemverstoring dieper dan 0,5 meter en met een oppervlakte van meer dan 500 m².

Op het perceel wordt niet meer dan 500 m² ongeroerde grond geroerd. Op basis van de huidige inzichten wordt een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Mocht men een afwijkend bouwplan indienen waardoor er wel meer dan 500 m² ongeroerde grond wordt geroerd, dan dient men op grond van de monumentenverordening een vergunning aan te vragen.

Kaart 7. Archeologische monumentenkaart

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.LLemhz7-on01_0008.png"

Verbindingsweg 3 bron: Archeologisch beleidsplan gemeente Dalfsen

3.2.2 Bodem

Er is door Hunneman Milieu-Advies, een verkennend bodemonderzoek (bijlage 3) uitgevoerd op de locatie aan de Verbindingsweg 3 te Lemelerveld.

Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van de voorgenomen nieuwbouw en bestemmingsplanwijziging op de locatie en heeft tot doel het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit.

Zintuiglijk zijn in de vaste bodem geen bijmengingen aan bodemvreemd materiaal waargenomen. Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal op of in de bodem aangetroffen.

In het mengmonster van de bovengrond (MM-01) zijn licht verhoogde gehalten aan lood en PAK aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de achtergrondwaarden, maar blijven beneden de toetsingswaarden voor nader onderzoek. Van de overig geanalyseerde parameters zijn geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden.

In het mengmonster van de ondergrond (MM-02) zijn, van de geanalyseerde parameters, geen gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarden. In het grondwater (peilbuis 1) zijn licht verhoogde gehalten aan cadmium, kobalt, nikkel en zink aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de streefwaarden, maar blijven beneden de toetsingswaarden voor nader onderzoek. Van de overig geanalyseerde parameters zijn geen gehalten aangetoond boven de streefwaarden.

Zintuiglijk zijn in de vaste bodem geen bijmengingen aan bodemvreemd materiaal waargenomen. Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal op of in de bodem aangetroffen.

In de vaste bodem en in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen en/of PAK aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden respectievelijk de achtergrond- en de streefwaarden, maar vormen geen aanleiding tot nader onderzoek.

Op basis van de onderzoeksresultaten is de actuele bodemkwaliteit afdoende vastgelegd en bestaan, naar onze mening, geen bezwaren voor de voorgenomen nieuwbouw en bestemmingsplanwijziging op de locatie.

3.2.3 Duurzaamheid

De gemeente Dalfsen zet in op een "duurzaam Dalfsen", met als doelstelling een CO2-neutrale gemeente in 2025.

Duurzaamheid betekent letterlijk: geschikt om lang te bestaan.

Het begrip wordt ook wel omschreven als een situatie waarbij voorzien wordt in de behoefte van de huidige generatie zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.

Er zijn drie verschijningsvormen van duurzaamheid te onderscheiden:

  • 1. ecologische duurzaamheid als het gaat om ecologische waarden;
  • 2. economische duurzaamheid als het gaat om een zo efficiënt mogelijke productie en;
  • 3. sociale duurzaamheid als het gaat om de leefkwaliteit van de mens. Hiermee worden zaken als sociale veiligheid en een schone woonomgeving bedoeld.

Voor ruimtelijke maatregelen in de vorm van bestemmingsplannen, projectbesluiten en ontheffingen zijn in beginsel alle drie verschijningsvormen van duurzaamheid relevant. De uiteindelijke keuze is een ruimtelijke afweging die op basis van bestuurlijke afwegingen wordt bepaald.

De gemeente Dalfsen heeft een convenant afgesloten met de provincie Overijssel. In dit convenant is een aantal overwegingen en uitgangspunten benoemd. De provincie Overijssel en de gemeente Dalfsen willen de duurzaamheidsgedachte uitdragen in de samenleving. De ambitie van de provincie Overijssel is gericht op een groene, duurzaam schone provincie. "Duurzaamheid" is met "ruimtelijke kwaliteit" de groene draad in de provinciale omgevingsvisie.

De speerpunten die worden genoemd "Investeren in duurzaam Overijssel" sluiten naadloos aan bij de gemeentelijke doelstellingen. Het gaat daarbij met name om de volgende speerpunten:

  • energie en klimaat;
  • veilige en gezonde leefomgeving;
  • duurzaam ondernemen;
  • biodiversiteit en integrale gebied- en plattelandsontwikkeling;
  • innoveren in duurzaamheid;
  • voorlichting en educatie.

Met de onderhavige herziening is beoogd een duurzaam bos te creëren ter vervanging van het gedeelte dat in zeer slechte staat was. Hiermee wordt voldaan aan de duurzame ontwikkeling van het buitengebied.

3.2.4 Ecologie

Ter bescherming van ecologische waarden dient er bij ruimtelijke ingrepen een afweging te worden gemaakt in het kader van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Flora- en faunawet.

Met de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden levert Nederland een bijdrage aan een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. De Vogelrichtlijn is gericht op het beschermen van de in het wild levende vogelsoorten en op de instandhouding van de habitatten die het leefmilieu voor deze soorten vormen. De Habitatrichtlijn is gericht op het instandhouden van natuurlijke en halfnatuurlijk habitatten en bescherming van wilde flora en fauna.

In de Flora- en faunawet wordt het volgende gesteld: “eenieder neemt voldoende zorg in acht voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving”. Dit betekent dat onderzocht dient te worden of middels de plannen bedreigende situaties ontstaan in de leefomgeving van, in of direct rond het gebied voorkomende flora en fauna. Het gaat hierbij om het effect van de beoogde ingreep op het natuurlijke milieu. De aard van de ingreep speelt daarbij een belangrijke rol.

Aveco de Bondt heeft een quickscan Flora en Fauna (bijlage 2) uitgevoerd om te beoordelen of de onderhavige plannen ecologisch gezien ruimtelijk verantwoord zijn.

Op basis van de uitgevoerde quickscan flora en fauna wordt geconcludeerd dat er beschermde soorten voorkomen op de onderzoekslocatie. Derhalve dienen maatregelen te worden getroffen, zodat niet in strijd wordt gehandeld met de bepalingen in de Flora- en faunawet.

Omdat geen significant nadelige effecten op speciale beschermingszones te verwachten zijn, is de Natuurbeschermingswet niet van toepassing. De onderzochte locatie ligt niet in of tegen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), waardoor geen beperkingen aan de orde zijn.

Op basis van gegevens uit geraadpleegde bronnen en de uitgevoerde veldinventarisatie zijn een aantal soortgroepen van belang voor de onderzoekslocatie. Onderstaand zijn de betreffende soortgroepen toegelicht.

Vaatplanten
De onderzoekslocatie heeft een betekenis voor een aantal algemene wilde plantensoorten. De betreffende soorten zijn niet beschermd en staan niet vermeld op de Rode Lijst.

Korstmossen
De aangetroffen soorten zijn algemeen voorkomend en staan niet vermeld op de Rode Lijst.

Broedvogels
De bomen, klimopbegroeiing, struiken, nestkasten en de houten schuur/garage/stal vormen een geschikte broedplaats voor vogels. In het broedseizoen dient derhalve rekening gehouden te worden met broedgevallen. Jaarrond beschermde nesten of mogelijke broedplaatsen van de betreffende soorten zijn niet aangetroffen.

Broedvogels zijn volgens de Flora- en faunawet beschermd, waardoor de voorgenomen werkzaamheden kunnen leiden tot het overtreden van de artikelen 10 (opzettelijk verontrusten) of 11 (verstoren van vaste rust- en verblijfsplaatsen).

Zoogdieren
Op de locatie zijn sporen gevonden van het Konijn en de Bruine rat. Kenmerken van vaste verblijfsplaatsen van vleermuizen of overige gebouwbewonende zoogdieren zijn niet aangetroffen.

Overige soorten
Sporen of kenmerken van overige beschermde soorten of soorten van de Rode Lijsten zijn niet waargenomen en worden gezien de functie en het gebruik van de locatie niet verwacht.

Maatregelen en ontheffing

Broedvogels
Voor het verstoren of verontrusten van broedende vogels (artikel 11) kan geen ontheffing worden verkregen. De volgende werkzaamheden worden als verstorend beschouwd en moeten buiten het broedseizoen (half maart – half juli) plaatsvinden:

  • Het snoeien of verwijderen van bomen, struiken, klimopbegroeiing en overige dichte begroeiing.
  • Het slopen van de houten schuur/garage/stal
  • Het verwijderen van nestkasten
  • Overige werkzaamheden die invloed hebben op broedgevallen

Op het moment dat geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden zonder een ontheffing of verdere maatregelen worden uitgevoerd.

Overige soorten
Ten aanzien van de overige soorten geldt een vrijstellingsregel (Konijn) of de betreffende soorten zijn niet beschermd (vaatplanten, korstmossen, Bruine rat). Hiervoor zijn geen specifieke maatregelen of een ontheffing benodigd.

3.2.5 Externe veiligheid

In het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4) zijn de uitgangspunten en ambities voor het nieuwe externe veiligheidsbeleid vastgelegd. Doel van het externe veiligheidsbeleid is om burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau voor gevaarlijke stoffen te bieden. Uit de Risicokaart van de provincie Overijssel blijkt dat voornoemde planherziening geen gevolgen heeft voor de externe veiligheid. De dichtstbijzijnde risicobron betreffen de buisleidingen die zijn gelegen op een afstand groter dan 500 m van het perceel Verbindingsweg 3. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt slechts 150 meter en het effectgebied bedraagt slechts 400 meter.

Kaart 8 Risicozonering

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.LLemhz7-on01_0009.png"

Verbindingsweg 3 Bron:http://nederland.risicokaart.nl

3.2.6 Geluid

Blijkens het milieumodel geluidshinder en luchtverontreiniging van de gemeente Dalfsen ligt de nieuw te realiseren woning binnen de geluidscontour 43-48 dB. Het toegestane geluidsniveau op de buitengevel mag voor een woning in stedelijk gebied maximaal 48 dB bedragen. Vorenstaande in aanmerking genomen wordt een akoestisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk geacht. Voor een duidelijk overzicht zie onderstaand figuur. De nieuw te realiseren woning is gelegen binnen de blauwe cirkel.

Kaart 9

afbeelding "i_NL.IMRO.0148.LLemhz7-on01_0010.png"

Verbindingsweg 3 bron: Giskit viewer 2005 gem. Dalfsen

3.2.7 Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen en staat de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit beschreven in de Wet milieubeheer, namelijk de Wet luchtkwaliteit. Het doel van deze wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. In deze wet zijn de richtlijnen van de Europese Unie geïmplementeerd. Voor Nederland geldt, dat alleen de verontreinigende stoffen zoals stikstofoxide en kleine zwevende deeltjes (PM10) van belang zijn. Bij de overige verontreinigde stoffen zijn in Nederland nauwelijks overschrijdingen gemeten.

In de Wet Milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2 luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen speelt het begrip "in betekenende mate" een belangrijke rol. Duidelijk is dat het onderhavige plan geen ontwikkelingen mogelijk maakt, waardoor de luchtkwaliteit in betekenende mate zal verslechteren. Er wordt derhalve voldaan aan de Wet luchtkwaliteit.

3.2.8 Politiekeurmerk Veilig Wonen
3.2.8.1 Algemeen

Het handboek Politiekeurmerk Veilig Wonen® bestaande bouw bestaat uit eisen verdeeld over drie categorieën:

• woning (W-eisen);

• complex (C-eisen);

• omgeving (O-eisen).

Aan elke categorie is een eisenpakket en een certificaat verbonden.

Wat is het Politiekeurmerk Veilig Wonen bestaande bouw?

Met het Politiekeurmerk Veilig Wonen® bestaande bouw, weten bewoners dat ze in een veilig huis in een veilige, leefbare wijk wonen. Woningen, gebouwen of wijken die aan de eisen van het keurmerk voldoen, ontvangen afzonderlijk een certificaat. De drie certificaten bij elkaar vormen het Politiekeurmerk Veilig Wonen® bestaande bouw.

Met een paar maatregelen en afspraken regelt het keurmerk veiligheid in en rond het huis. Hiervoor is het echter wel noodzakelijk dat veel partijen samenwerken. Het keurmerk gaat namelijk niet alleen om een goed slot op de deur. Het keurmerk gaat ook om goede straatverlichting en goed onderhouden groenvoorzieningen. Hiervoor is de gemeente verantwoordelijk.

Integraal veiligheidsinstrument

Het keurmerk is een integraal veiligheidsinstrument. Dat maakt het keurmerk zo bijzonder. Het is niet slechts een ‘middel’ tegen inbraken. Het is een instrument dat ook andere vormen van criminaliteit tegengaat, zoals fietsendiefstal en vandalisme. Daarnaast zorgt het keurmerk ervoor dat iemand op tijd wordt gewaarschuwd als er brand uitbreekt. En, aanpassingen in en rond de wijk en afspraken over het beheer van de buurt, zorgen ervoor dat mensen in een veilige, leefbare buurt wonen. Een buurt waar ze zich nauwelijks zorgen hoeven maken over criminaliteit en gevaarlijke situaties. Een keurmerkwijk is meer dan een wijk waar nauwelijks ingebroken wordt. Het is een wijk waarin bewoners, woningcorporaties, politie, bedrijven en gemeente samen zorgen voor een leefbare plek.

Verschil nieuwbouw - bestaande bouw

Het Politiekeurmerk Veilig Wonen® kent twee eisenpakketten: één voor de nieuwbouw en één voor bestaande wijken. Voor deze twee aandachtsgebieden is gekozen omdat in nieuwbouwgebieden alles nog mogelijk is. De wijk bestaat alleen op papier en ingrepen in woning of omgeving zijn eenvoudig te realiseren. Bij bestaande bouw is deze aanpak lastig. De inrichting van deze wijken is langer geleden bepaald: de wijk staat al jaren. Ingrepen zijn kostbaar. Daarnaast is de zeggenschap over de verantwoordelijkheid voor woning, complex, beheer en omgeving, versnipperd. Een bewoner heeft bijvoorbeeld wel iets te zeggen over zijn huis, maar lang niet altijd over zijn omgeving. Daar gaat de gemeente meestal over. Daarom is het werk in de bestaande bouw verdeeld over drie certificaten. Dit in tegenstelling tot in de nieuwbouw.

Certificaat Veilige Woning

Individuele woningen komen in aanmerking voor het certificaat Veilige Woning. Dit kunnen eengezinswoningen zijn, maar ook woningen die deel uitmaken van een appartementengebouw of flat. Voor individuele woningen geldt dat ‘de schil’ beveiligd moet zijn. Het gaat dan om voor, zij-, achtergevel en het dak. Het gaat zowel om dichte als om bewegende delen (ramen en deuren). Het gaat om de beveiliging van alle delen die toegang verschaffen tot de woning. Maar, het gaat ook om verlichting en een rookmelder. Bewoners die in bijzondere omstandigheden verkeren - de waarde van hun inboedel is hoog - kunnen ‘bovenop’ het certificaat Veilige Woning andere beveiligingsmaatregelen treffen zoals het aanleggen van een alarminstallatie. Verzekeringsmaatschappijen kunnen hierover informatie verstrekken.

3.2.9 Verkeerssituatie

Op het perceel Verbindingsweg 3 veranderd er niets aan het gebruik. Er is dan ook geen sprake van verandering in het aantal verkeersbewegingen. De ontsluiting van het perceel veranderd eveneens niet. Met de planherziening zal de verkeerssituatie ter plaatse van de Verbindingsweg 3 dan ook niet wijzigen.

3.2.10 Water
3.2.10.1 Watertoets

In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te 'toetsen op water'. Hiervoor is de zogenaamde watertoets ontwikkeld, waarbij waterschap en initiatiefnemer onderlinge afstemming zoeken.

3.2.10.2 Relevant beleid

Er zijn veel beleidsstukken over water vastgesteld. Zowel de provincie, waterschap als de gemeente stellen waterbeleid vast. De belangrijkste kaders zijn de Omgevingsverordening- en visie van de provincie Overijssel, het Waterbeheersplan 2010-2015 van het waterschap Groot Salland en het gemeentelijk rioleringsplan en Waterplan van de gemeente Dalfsen.

3.2.10.3 Invloed op de waterhuishouding

Invloed op de waterhuishouding

Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verhard oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Het plangebied bevindt zich niet binnen een beekdal, primair watergebied of een stedelijk watercorridor.

Bij nieuwe bouwwerken is de minimale ontwateringsdiepte een belangrijk aandachtspunt. De minimale ontwateringsdiepte is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en het maaiveld.

In de onderstaande tabel is kort de relevantie van de waterhuishoudkundige aspecten aangegeven.

Waterhuishoudkundig aspect   Relevantie   Toelichting  
Veiligheid   Nee   -  
-Riolering en afvalwaterketen   Nee   Woning aansluiten op IBA  
Wateroverlast (oppervlaktewater)   N.v.t.   Het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem.  
Grondwateroverlast   N.v.t.   -  
Grondwaterkwaliteit   N.v.t.   -  
Volksgezondheid   N.v.t.   -  
Verdroging   Nee   -  
Natte natuur   Nee   -  
Inrichting/beheer en onderhoud   N.v.t.   Geen openbaar water aanwezig.  
Recreatie   N.v.t.   Geen openbaar water aanwezig.  
Cultuurhistorie   N.v.t.   -  
3.2.10.4 Voorkeursbeleid hemel- en afvalwater

Bij afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Hierbij geldt de minimale bergingseis van 19,8 millimeter per m2 verhard oppervlak. Wanneer dit niet mogelijk is, kan hemelwater (eventueel via een bodempassage) worden geloosd op het oppervlaktewater. Woningen moeten een voorziening hebben voor afvalwater. Dit kan een aansluiting op de riolering zijn of een zuiveringsvoorziening, zoals bedoeld in het Besluit lozing afvalwater huishoudens en de Regeling lozing afvalwater huishoudens. De woning moet worden aangesloten op het rioolsysteem.

3.2.10.5 Watertoetsproces

De initiatiefnemer heeft het waterschap Groot Salland geïnformeerd over het plan.